conservatoir beslag
bankbeslag
executoriaal beslag
ambtshandelingen
bankbeslag

Het was overal in het nieuws: de Urgenda-uitspraak van 20 december 2019. De zaak is vaak verschenen in de media maar juridisch gaat er ook het een en ander schuil achter de uitspraak. In dit artikel ga ik in op de inhoud van de uitspraak, de achterliggende juridische kwestie en de situatie na de beslissing.

Inhoud van de uitspraak

De rechtszaak loopt al sinds 2015 en is nu eindelijk ten einde gekomen. De rechtbank in 2015, het hof in 2018 en de Hoge Raad eind 2019 zijn allemaal tot hetzelfde oordeel gekomen: Urgenda wint. Dit gewezen oordeel van de Hoge Raad betekent dat de zaak onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat er geen rechtsmiddel meer openstaat tegen dit oordeel en dat de zaak beslissend is voor de kwesties van geschil.

Deze zaak ging voor de menigte vooral over het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen met 25% ten opzichte van 1990. De Staat had aangevoerd dat de doelstelling was eind 2020 een reductie van 20% te behalen ten opzichte van 1990 en daarna in de opvolgende jaren sneller af te bouwen. Dat zou betekenen een reductie van uitstoot tot 49% in 2030 en 95% in 2050. Urgenda beweerde echter dat de Staat in lijn met het VN-klimaatverdrag minimaal naar 25% uitstoot reductie moest gaan aan het eind van 2020. Eigenlijk zou dit richting de 40% moeten zijn om het toekomstbeeld daadwerkelijke haalbaar te maken.

Deze forse uitstoot reductie is niet onhaalbaar gezien het feit dat er genoeg landen zijn die hun uitstoot met meer dan 30% hebben gereduceerd en er zijn zelfs 6 landen in de EU die hun uitstoot met meer dan 40% hebben gereduceerd. Zo had Litouwen met 58% de grootste uitstootreductie in 2017 ten opzichte van 1990, gevolgd door Letland met 57% en Roemenië met 54%. Ook onze buren, Duitsland en België, scoren veel hoger dan Nederland met 28 respectievelijk 22 procent uitstootreductie in 2017 ten opzichte van 1990. In 2017 bleef Nederland namelijk hangen op een summiere reductie van 13%.[1]

Het oordeel van de Hoge Raad is overduidelijk: de Nederlandse Staat is verplicht de uitstoot van broeikasgassen te reduceren met ten minste 25% per eind 2020 ten opzichte van 1990.[2] Belangenorganisaties die verband houden met klimaatverandering en opwarming van de aarde stonden natuurlijk te springen na het oordeel van de hoogste rechter. Anderen waren echter sceptisch over de uitspraak. Met name bij juristen was de uitspraak niet makkelijk te accepteren.

Achterliggende juridische kwestie

In de democratische rechtstaat waarin wij leven is het namelijk zo dat we het staatsbestel zo hebben ingedeeld dat er een redelijke spreiding van machten is. Dat betekent dat de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht elkaar controleren en balanceren (Trias Politica). Een beslissing als degene in deze zaak lijkt te haaks te staan op dit principe. In feite legt de rechter een verplichting op aan de Staat. De ene macht geeft hier dus een bevel aan de andere macht. Dit wordt door sommige dan ook opgevat als een greep naar de macht door rechters.[3]

Het kerngeschil van de zaak vanuit juridisch oogpunt was dan ook: mag de Staat een verplichting worden opgelegd door de rechter? De Hoge Raad heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Besluitvorming omtrent het beleid van de Staat ligt in beginsel bij de regering en het parlement. Het geschil is echter gebaseerd op art. 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit zijn absolute grondrechten, met andere woorden: een verbod voor de Staat om burgers te ontzien van die rechten. Deze artikelen brengen echter ook positieve verplichtingen mee voor een staat. Dat betekent dat een staat die gebonden is aan het verdrag, zoals ook Nederland, maatregelen moet treffen om deze grondrechten te waarborgen. Hierin ziet de Hoge Raad voldoende grondslag om de Staat te verplichten zich aan deze positieve verplichtingen te houden en in het bijzonder om maatregelen te treffen om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren naar het target van 25% per eind 2020.

In mijn ogen vormt dit geen onevenwichtigheid in de Trias Politica omdat ook de Staat gebonden is aan het recht. Deze positieve verplichtingen stammen uit een Verdrag die getekend is door de Nederlandse Staat zelf. Het feit dat het hier gaat om een verplichting aan de Staat is dan ook meer dan terecht. Van belang is hier op te merken dat de rechter de Staat een verplichting geeft om maatregelen te nemen maar dat de manier waarop dat moet worden ingevuld aan de Staat wordt gelaten. Het beleid blijft dus in zoverre nog steeds in handen van de Staat, enkel het bevel dat er iets gedaan moet worden komt bij de rechter vandaan.

Vervolgstappen na de uitspraak

De manier waarop de uitstootreductie plaats gaat vinden is vooralsnog onbekend. Wel is deze maand een kolencentrale dicht gegaan, wat een begin is om de uitstoot te reduceren. Ook heeft Urgenda een 40-puntenplan opgesteld waarin ze allerlei maatregelen opperen die er makkelijk voor kunnen zorgen de uitstoot voldoende te reduceren en dus op zijn minst 25% uitstootreductie te behalen per eind 2020 ten opzichte van 1990.[4]

Zoals het er nu voor staat is het nog maar afwachten wat voor maatregelen de Staat gaat treffen. Ze zijn nu wel gebonden aan het bevel dat er iets moet gebeuren. Of hier gehoor aan wordt gegeven is echter een tweede vraag die speelt. Wordt het een machtsspel tussen de uitvoerende/wetgevende macht en de rechterlijke macht of gaat de Staat zich erbij neerleggen? Het laatste is in ieder geval nog niet gezegd.

 

Auteur: Max van der Veer

[1] NOS,Internationaal veel belangstelling voor uitspraak Urgenda, geraadpleegd op 12-1-2020 via: https://nos.nl/artikel/2315591-ook-internationaal-veel-belangstelling-voor-uitspraak-urgenda-zaak.html.

[2] HR, 20-12-2019, nr. 19/00135 (Urgenda).

[3] NJB, De zaken die er echt toe doen, geraadpleegd op 12-1-2020 via:

https://www.njb.nl/blog/de-zaken-die-ertoe-doen.40244.lynkx.

[4] NOS,Internationaal veel belangstelling voor uitspraak Urgenda, geraadpleegd op 12-1-2020 via: https://nos.nl/artikel/2315591-ook-internationaal-veel-belangstelling-voor-uitspraak-urgenda-zaak.html.

Wet afwikkeling massaschade

De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: Wamca) zal per 1 januari 2020 in werking treden.[1] Het wetsvoorstel voor deze wet gaat terug tot 15 november 2016. Toen zag men al in dat er de mogelijkheid zou moeten bestaan van een collectieve actie in geval van massaschade, in het bijzonder een vordering tot schadevergoeding. De wet is nu eindelijk officieel van de grond, met alle gevolgen van dien. In dit artikel wordt de Wamca inhoudelijk onder de loep genomen en in dat kader zullen de belangrijkste wijzigingen en gevolgen van het intreden van de Wamca worden besproken.

De situatie tot 1 januari 2020

De wet zal binnenkort in werking treden maar we zijn tot die tijd gebonden aan de huidige wetgeving. De nieuwe wet zal zien op gevallen van massaschade. Hier kunnen bijvoorbeeld woekerpolissen of gebrekkige medicijnen onder worden verstaan. Dit zijn dus zaken waarin door veel gedupeerden schade wordt geleden.

Er bestaat al huidige wetgeving in het kader van collectieve acties. De Wet collectieve actie regelt dat belangenorganisaties voor een groep gedupeerden een procedure aanhangig kunnen maken bij de rechter. Er kan in een dergelijke situatie door de belangenorganisatie een verklaring van recht gevorderd worden. Als deze vordering wordt toegewezen dan staat vast dat de wederpartij aansprakelijk is en de rechter kan een verbod of gebod opleggen aan de aansprakelijk gestelde partij. Het is echter in de huidige situatie niet mogelijk schadevergoeding te vorderen en de rechter kan de schadeveroorzakers hier dus ook niet voor veroordelen. Gedupeerden moeten dan individueel naar de rechter om schadevergoeding te vorderen. Het nadeel hiervan is dat deze schadeveroorzakers niet zonder slag of stoot de schadevergoeding zullen betalen. Er is dan een procedure bij de rechter nodig om schadevergoeding te kunnen eisen.[2] Een individuele gedupeerde heeft vaak niet de tijd om een lange procedure aan te gaan, laat staan de financiële middelen die met een civiele procedure gepaard gaan.

Er bestaat ook al huidige wetgeving in het kader van massaschade. De wet collectieve afwikkeling massaschade regelt dat een belangenorganisatie voor een groep gedupeerden een schikking kan treffen met de schadeveroorzakers. Een belangenorganisatie kan dan in een procedure aan de rechtbank verzoeken om de schikking voor alle gedupeerden verbindend te verklaren. Het gaat hier echter om een schikking. Schadeveroorzakers kunnen weigeren mee te werken aan een schikking en dan moeten individuele gedupeerden dus alsnog zelf een procedure bij de rechter aanhangig maken om daadwerkelijk de schade vergoed te krijgen.[3]

De situatie vanaf 1 januari 2020

Bovenstaande moeilijkheden worden door de nieuwe wetgeving hopelijk verholpen. Het gaat in dit soort zaken vaak niet om weinig schade maar juist om heel veel schade. Gedupeerden hebben dan een extra groot belang bij een goede afwikkeling van massaschade. Daarvoor is de Wamca in het leven geroepen. De wet zal deel uit gaan maken van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als Titel 14A, genaamd Rechtspleging in zaken betreffende een collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling.

Het grootste voordeel van de Wamca is dat de rechter nu bevoegd is om vast te stellen of de schadeveroorzaker aansprakelijk is en welke schadevergoeding betaalt moet worden. De rechter zal hiervoor één belangenorganisatie aanwijzen als Exclusieve Belangenbehartiger. Deze partij zal opkomen voor alle gedupeerden. Met deze gang van zaken worden de individuele procedures dus omzeild en kan alles gelijk in één procedure geregeld worden. Dit bespaard met name veel tijd en geld.

Een ander groot voordeel is dat de optie van schikking opeens veel aantrekkelijker wordt. Schadeveroorzakers kunnen namelijk door de rechter in de hoofdzaak worden veroordeeld tot schadevergoeding. Dit is vaak een stuk minder gunstig en daarom zal de schadeveroorzakende partij veel sneller instemmen met een schikking. Anders moeten ze namelijk de procedure volgen, wat geld en tijd kost, en afwachten wat de schadevergoeding is die ze moeten betalen.[4]

Een logisch gevolg hiervan zou zijn dat massaschadezaken veel sneller zullen worden afgedaan omdat niet veel zaken meer een volledige procedure zullen doorlopen. Dit is een voordeel voor zowel de schadeveroorzakers als de gedupeerden. Voor schadeveroorzakers is het een voordeel omdat ze nu maar één zaak hoeven te behandelen en veel sneller klaar zijn met alle schadeclaims. Normaliter krijgen ze namelijk allerlei individuele processen om de oren waar ze niet op zitten te wachten. Voor gedupeerden is het een voordeel omdat zij gelijk duidelijkheid hebben in de hoofdzaak en niet zelf in een aparte rechtszaak de schadevergoeding hoeven te vorderen.

Conclusie

De nieuwe wetgeving lijkt al met al een positieve aanvulling op het bestaande recht inzake massaschade en collectieve acties waar met name gedupeerden in de toekomst de vruchten van zullen plukken.[5]

[1] Volgens Stb. 2019/447.

[2] Schadevergoeding op grond van art. 3:305a BW.

[3] Oude wetgeving gebaseerd op een uiteenzetting van de Rijksoverheid over schadevergoeding in geval van massaschade, geraadpleegd op 19-12-2019 via: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bescherming-van-consumenten/schadevergoeding-massaschade-consumenten.

[4] De nieuwe situatie is gebaseerd op een uiteenzetting van de Eerste Kamer van de hoofdlijnen van de Wamca, geraadpleegd op 19-12-2019 via: https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34608_wet_afwikkeling_massaschade.

Belangrijkste veranderingen en/of toevoegingen: art. 3:305a BW en art. 1018b t/m 1018m Rv.

[5] De Wet  afwikkeling massaschade in collectieve actie: Stb. 2019/130.

rechters

Op 21 November 2019 kwam het NRC met het nieuws dat de rechtspraak vast loopt en dat de rechters overbelast zijn. Dit is natuurlijk niet een probleem dat zomaar uit de lucht is komen vallen maar een probleem dat al even speelt. Het is wel interessant dat een journalist bij dit onderzoek een tweetal weken meeloopt om te ervaren hoe het er in de rechtspraktijk aan toegaat.[1] Wat zijn de voornaamste problemen in rechtbanken? En hoe wilt de rechtspraak die gaan oplossen? U leest het in dit artikel.

Veel zaken

Een groot probleem is de vele zaken die een rechtbank voor de kiezen krijgt. Vooral van belang is dat rechters aangeven altijd te willen streven naar perfectie. In principe is dat natuurlijk iets goeds, maar het levert wel veel werkdruk op omdat ze geen detail willen missen. Met vele achterstallige zaken in het achterhoofd is het dan nogal een druk om niet de fout in te gaan. Uit het onderzoek blijkt dat rechters het veel drukker hebben dan juridisch medewerkers. Veel rechters loggen vaak in de avond in, vermoedelijk omdat ze overdag simpelweg geen tijd hebben de zaak grondig te bekijken. Rechters zijn namelijk ook gewoon mensen, veelal met gezin, die hun tijd moeten zien te verdelen tussen werk en privé.

Gefaalde modernisering

Hiermee hangt de gefaalde modernisering van het burgerlijk procesrecht samen. Met de introductie van de KEI-wetgeving moest procesrecht vooral digitaal geregeld worden. Hierdoor werd digitaal procederen verplicht. Het bleek in de praktijk echter niet te werken en veel rechtbanken gingen al snel over op de ouderwetse behandeling van zaken. Omdat het binnen de rechtspraak zo mislukte is de Spoedwet stopzetting KEI in het leven geroepen, die per 1 oktober 2019 in werking is getreden.[2] Hierdoor gingen rechtbanken weer op papier werken, wat zeer veel administratieve lasten met zich meebracht. Dit betekent ook dat er weer meer mensen aangenomen moesten worden nadat die eerst niet meer nodig waren door de digitalisering van het procederen. Al met al een last die veel tijd, energie en geld heeft gekost.

Duur van zaken en taalgebruik in uitspraken

Een ander groot probleem lijkt de duur en aard van de zaken te zijn. Veel zaken duren namelijk erg lang en als er dan eindelijk een oordeel komt is het voor veel mensen niet te begrijpen. Er ontstaat daarom een landelijke behoefte om sneller uitspraak te doen in een beter begrijpelijke vorm. Dit is bijvoorbeeld een ontwikkeling die in het bestuursrecht al wordt gehanteerd. Er wordt dan met name gelet op de grootte van een uitspraak (dus niet te groot) en de helderheid van taal. Het moet namelijk voor een burger te begrijpen zijn wat de gevolgen zijn van een uitspraak in zijn of haar zaak. Dit is meestal in het burgerlijk recht niet erg omdat er vaak een advocaat aan de zijde van een procespartij staat maar dit is niet in alle zaken het geval. In die zaken waar in persoon kan worden geprocedeerd is het van belang de uitspraken zo duidelijk mogelijk te maken en de duur van de zaken zoveel mogelijk te beperken.

Oplossing hoeveelheid zaken

Een oplossing voor de grote hoeveelheid zaken waar de rechtbanken mee worstelen is het extra werven van rechters en juridisch werknemers om deze achterstanden weg te werken. De rechtspraak wil hierbij ervaren juristen aannemen om zo snel mogelijk de zaken af te kunnen handelen. Deze juristen zullen dan als rechter-plaatsvervanger aan de slag gaan waar ze zoveel mogelijk direct uitspraak doen. Ook wordt extra administratief personeel gezocht om alle vonnissen snel uit te kunnen werken om de werklast van de rechters zo minimaal mogelijk te houden. Het doel van de rechtspraak is binnen drie jaar de achterstanden weg te werken. Dit wordt gefinancierd door een toegezegd budget van de overheid van 29 miljoen euro voor de komende drie jaar.[3] Een flinke maatregel dus die hopelijk enige orde op zaken zal stellen.

Oplossing duur zaken

Het streven is om niet alleen de achterstallige zaken weg te werken maar ook om de zaken sneller af te doen. Een van de oplossingen in dit kader is het hanteren van kortere doorlooptijden.[4] Ook wil de rechtspraak (potentiële) procespartijen beter informeren over de duur van een rechtszaak om zo een beter beeld te scheppen van de te verwachten stappen in het proces. Dit kan bijdragen aan de maatschappelijke behoefte om sneller en duidelijker uitspraak te doen. Een van de middelen om zaken sneller af te kunnen handelen is het werken met een zogenaamde flexpool. Hierdoor kunnen gerechtsmedewerkers snel worden ingezet waar nodig. Rechtspraak is nu eenmaal niet altijd even druk, waardoor op sommige momenten veel meer werknemers nodig zijn dan op andere momenten.[5] Het doel van de rechtbanken is deze pieken en dalen beter op te pakken om zo de zaken sneller af te kunnen handelen.

Conclusie

Al met al is de drukte in de rechtspraak een groot probleem. Procespartijen raken gefrustreerd door de duur van rechtszaken en rechters hebben moeite om alle zaken te behandelen door de hoeveelheid achterstallige en nieuwe zaken. Voor de oplossingen die nu door de rechtspraak worden gehanteerd moet in praktijk nog worden gekeken of ze hun vruchten afwerpen. Feit is wel dat de overheid het probleem erkend en hier budget voor vrij maakt. Ook is het positief dat de rechtspraak ermee bezig is de problemen te verhelpen. Of deze maatregelen echter voldoende zijn zal nog moeten blijken omdat vooralsnog de problemen blijven bestaan.

[1] De problemen in de rechtspraak zijn gebaseerd op dit onderzoek, geraadpleegd op 12-12-2019:

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/11/21/de-overbelaste-rechtbank-a3981139.

[2] Voorstel van wet houdende wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (Stb. 2019, 241). Deze wet treedt op 1 oktober 2019 in werking (Stb. 2019, 247).

[3] Aankondiging Julia Mendlik, president rechtbank Midden-Nederland, geraadpleegd op 12-12-2019 via: https://www.advocatenblad.nl/2019/11/28/verkorte-opleiding-tot-rechter-moet-achterstanden-wegwerken/.

[4] Tijd vanaf het aanmelden van een zaak bij de rechtbank tot de uitspraak van een rechter.

[5] Rechtspraak: duur rechtszaak moet korter, geraadpleegd op 12-12-2019 via: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Rechtspraak-duur-rechtszaak-moet-korter.aspx

verhaalsrechten

Verhaalsrechten ontstaan wanneer een schuldenaar niet nakomt. De schuldeiser heeft dan een verhaalsrecht op al de goederen van de schuldenaar.[1] Er kunnen echter veel meer schuldeisers zijn bij dezelfde schuldenaar. Als dit zo is, volgt vaak faillissement. Dan kunnen de schuldeisers zich gezamenlijk verhalen op de goederen van de schuldenaar. Wanneer er inderdaad meer schuldeisers zijn is de vraag: wie komt eerst? De schuldenaar bezit normaliter namelijk niet genoeg vermogen om al zijn schulden te betalen.

Hoofdregel

Als hoofdregel geldt: schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om naar evenredigheid van ieders vordering te worden voldaan. Dit gaat op na voldoening van de kosten van executie.[2] De kosten van de curator is een voorbeeld van executiekosten. Schuldeisers die een gelijk verhaalsrecht hebben ten opzichte van alle goederen van de schuldeiser en geen voorrang of voorrecht hebben worden concurrente schuldeisers genoemd. Op dit uitgangspunt en deze groep schuldeisers zijn echter heel wat uitzonderingen. Die zullen hieronder worden besproken.

verhaalsrechten

Fiscus

Een bijzondere schuldeiser is de fiscus. De fiscus, ook wel de belastingdienst, heeft een voorrecht op alle goederen van een belastingschuldige.[3] Dit is een algemeen voorrecht die in rangorde boven de concurrente vorderingen zal komen. Ook heeft de fiscus het zogenaamde fiscaal bodemvoorrecht dat vóór alle andere schuldeisers gaat. In dat geval gaat het om goederen die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, meestal een schuldenaar die loon- of omzetbelasting verzuimd heeft te betalen en het gaat om een bodemzaak.[4] Gezien deze strenge voorwaarden is niet vaak sprake van een fiscaal bodemvoorrecht en moet dit echt gezien worden als een grove uitzondering op de hoofdregel.

Voorrechten

Voorrechten hebben ook voorrang op de concurrente crediteuren.[5] Hier dient een onderscheid gemaakt te worden tussen bijzondere en algemene voorrechten. Bij bijzondere voorrechten gaat het om een voorrecht op een bepaald goed van de schuldenaar, waar het bij algemene voorrechten gaat om alle goederen van de schuldenaar. Bijzondere voorrechten zijn bijvoorbeeld kosten tot behoud van een goed of een vordering wegens aanneming van werk.[6] Voorbeelden van algemene voorrechten zijn de kosten van een aanvraag van faillietverklaring of vorderingen van een werknemer ten opzichte van zijn werkgever.[7] Tussen voorrechten onderling bestaat ook een verschil in rangorde. Volgens de wet gaan bijzondere voorrechten in beginsel namelijk boven algemene voorrechten.[8]

Pand en hypotheek

Pand- en hypotheekrecht gaan op hun beurt weer boven voorrecht.[9] Hypotheekrecht wordt gevestigd op registergoederen, waar pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen.[10] Een registergoed is bijvoorbeeld een huis en een niet-registergoed is bijvoorbeeld een schilderij of een bank maar ook de voorraad van een onderneming. Als het gaat om de executie van onroerende zaken zal het dus vaak gaan om een huis met hypotheekrecht. De hypotheekhouder heeft dan voorrang op alle andere schuldeisers. Een pandhouder kan bijvoorbeeld een pandrecht hebben op de voorraad van een onderneming en zijn verhaalsrecht gaat dan boven die van de andere schuldeisers.

Conclusie

Al met al zijn er dus veel uitzonderingen op de hoofdregel. Het is dan ook niet altijd makkelijk om te bepalen welke schuldeiser als eerst zijn verhaalsrecht kan uitoefenen. De volgorde van deze verhaalsrechten is van groot belang omdat de schuldenaar vaak in grote betalingsproblemen verkeert en daardoor niet genoeg vermogen heeft om al zijn schulden te voldoen. Daardoor ontstaan veel situaties waarbij alleen de eerste schuldeiser iets van zijn vordering betaald krijgt. In dat geval hebben de andere schuldeisers gewoon pech en zullen zij in principe niets van hun vordering terugzien.

Onderstaand een basis-rangorde van verhaalsrechten:

  1. Executiekosten
  2. De fiscus indien een fiscaal bodemvoorrecht bestaat
  3. Pand en hypotheek
  4. Bijzondere voorrechten
  5. Algemene voorrechten
  6. Concurrente vorderingen

https://www.linkedin.com/

Auteur: Max van der Veer

[1] Art. 3:276 Burgerlijk Wetboek (BW).

[2] Art. 3:277 lid 1 BW.

[3] Art. 21 lid 1 Invorderingswet 1990 (Invw).

[4] Art. 21 lid 2 en 22 lid 3 Invw.

[5] Art. 3:278 lid 1 BW.

[6] Art. 3:284 lid 1 en 3:285 lid 1 BW.

[7] Art. 3:288 sub a en 3:288 sub c-e BW.

[8] Art. 3:280 BW.

[9] Art. 3:279 BW.

[10] Art. 3:227 lid 1 BW.

beslag leggen

Stelt u zich voor: iemand kan zijn schulden niet langer betalen en er wordt daardoor executoriaal beslag gelegd op een waardevolle roerende zaak van de schuldenaar. De schuldenaar heeft door dat het de verkeerde kant op gaat en verkoopt snel de zaak (voor een stuk lagere prijs) met het doel om executoriale verkoop te voorkomen. De roerende zaak is nu niet langer bij de beslagene en de vraag rijst dan: kan de beslaglegger toch overgaan op executie?

Paulianeus handelen

In bovenstaande situatie is sprake van Paulianeus handelen. Dit betekent dat iemand een rechtshandeling verricht (in dit geval het verkopen van de roerende zaak) terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit benadeling van de verhaalsrechten van de schuldenaars zou opleveren.[1] Het gaat hier om een onverplichte rechtshandeling en daadwerkelijke benadeling. Dan is aan alle vereisten van de Pauliana voldaan en zal in beginsel de rechtshandeling vernietigd worden.

Blokkerende werking

De vraag is echter of een beslaglegger kan overgaan op executie terwijl het beslagen goed zich niet langer onder de beslagene bevindt. Overgaan op executie betekent dat uit de verkoop van de roerende zaak een bepaalde waarde wordt gehaald die kan worden verrekend met de openstaande schuld. De Hoge Raad heeft in zijn rechtspraak meerdere malen bevestigd dat beslag niet zorgt voor beschikkingsonbevoegdheid van de beslagene. Dat betekent dat de beslagene gewoon rechtshandelingen kan verrichten en hij kan dan dus ook de beslagen zaken verkopen.[2] Volgens diezelfde vaste rechtspraak is het echter wel zo dat de beslaglegger zich niets van deze rechtshandelingen hoeft aan te trekken. In beginsel kan hij dus toch overgaan op executie door de relatief blokkerende werking van beslag.[3] Dit betekent dat de beslagene relatief (dat wil zeggen: ten opzichte van de beslaglegger) beschikkingsonbevoegd is om de roerende zaak te verkopen.

Derdenbescherming

Het feit is wel dat de zaak in handen van een derde (namelijk de koper) is gekomen. In sommige gevallen willen we dat deze derde wordt beschermd en dat hij toch de zaak mag houden zonder dat de beslaglegger op executie over kan gaan. De koper kan zich succesvol op bescherming beroepen wanneer hij anders dan om niet de zaak in handen heeft gekregen en hij toen te goeder trouw was.[4] Anders dan om niet betekent dat er een prestatie/betaling nodig was om de zaak te verkrijgen en te goeder trouw betekent dat de koper niet wist of behoorde te weten dat de verkoper Paulianeus handelde.

Conclusie

In de praktijk is het natuurlijk van groot belang of een executie wel of niet doorgaat. Voor zowel de beslaglegger als de derde is het dus van groot belang om op de hoogte te zijn van de huidige gang van zaken. Voor een beslaglegger in het bijzonder is het van belang om zo snel mogelijk op executie over te gaan wanneer er een executoriale titel is op roerende zaken. De blokkerende werking is hierbij van grote hulp omdat zelfs wanneer een zaak zich niet langer onder de beslagene bevindt, in de meeste gevallen toch kan worden overgegaan tot executie.

 

auteur: Max van der Veer

[1] Volgens art. 3:45 BW.

[2] Zie bijvoorbeeld HR 20-02-2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729 (Ontvanger/De Jong q.q.) en HR 05-09-2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351 (Forward/Huber).

[3] Volgens art. 453a lid 1 Rv.

[4] Volgens art. 453a lid 2 Rv.