Deurwaarder Apeldoorn

Prejudiciële vragen WIK

De kantonrechter in Almere overweegt een aantal prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad die betrekking hebben op de aanvangstermijn van de in art. 6:96 lid  6 BW genoemde termijn van veertien dagen. De vragen worden gesteld naar aanleiding van een door de schuldeiser ingestelde vordering tegen de gedaagde partij om rente en buitengerechtelijke incassokosten aan de schuldeiser te voldoen.

De casus

Eiser heeft gedaagde in gebreke gesteld en gesommeerd om de onderhavige factuur te voldoen. In de brieven van eiser is vermeld wat de gevolgen zijn van het niet op tijd betalen van de factuur.

Gedaagde heeft de factuur niet binnen de gestelde termijn voldaan, waardoor eiser aanspraak maakt op de buitengerechtelijke incassokosten en de rente.

Volgens gedaagde is de factuur te laat betaald omdat haar broer, die normaliter de betalingen voor haar verricht, met vakantie was en het gedaagde zelf, ondanks een poging daartoe, niet is gelukt de betaling te verrichten.

Uiteraard slaagt dit verweer niet. Immers, het enkel versturen van de juiste ingebrekestelling is voldoende voor het in rekening brengen van de buitengerechtelijke incassokosten. De Hoge Raad bepaalde dit in een eerder arrest (HR 13 juni 2014, ECLI:NL:2015:1405).

De vraag die thans openstaat is of de verzonden brief aan de vereisten zoals gesteld in art. 6:96 lid 6 BW voldoet.

Gedaagde stelt dat de dagtekening, zoals vermeldt in de brief twee dagen verder ligt dan de dag dat de brief feitelijk wordt aangemaakt. Hierdoor ontvangt de gedaagde de brief uiterlijk op dezelfde dag als de dagtekening van de brief.

In deze casus had de brief de dagtekening 11 september 2015. De veertiendagentermijn ving aan op 12 september 2015, waardoor de gedaagde tot en met 25 september 2015 de tijd had om de vordering zonder kosten te voldoen. Echter, in de brief van eiser staat vermeld dat gedaagde uiterlijk voor 25 september 2015 de vordering diende te voldoen.

De kantonrechter vraagt zich af hoe art. 6:696 lid 6 BW uitgelegd moet worden, mede gezien het bepaalde in art. 3:37 lid 3 BW en hoe de afweging moet zijn van enerzijds doel en strekking van de wetswijziging van 2012 tot normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte en anderzijds de beoogde bescherming van de consument.

Vragen aan de Hoge Raad

De kantonrechter overweegt de volgende vragen aan de Hoge Raad te stellen:

  1. Vangt de termijn van veertien dagen aan de dag na de ontvangst door de schuldenaar van de veertiendagenbrief?
  2. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, kan bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten er dan vanuit worden gegaan dat een per gewone post verzonden veertiendagenbrief één dag na de dagtekening bezorgd wordt? Ook als we weten dat er in de regel geen brievenpost op zondag bezorgd wordt en bijvoorbeeld Post.nl ook op maandag geen briefpost bij particulieren bezorgt? Als hier niet vanuit kan worden gegaan, met welke omstandigheden moet dan rekening worden gehouden en wat betekent dit dan voor de hierna nog te noemen stel- en bewijsplicht?
  3. Voldoet een brief aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW indien daarin melding is gemaakt van een betaaltermijn van veertien dagen en het toepasselijke incassobedrag volgens het Besluit is genoemd, maar geen of een onjuiste termijn van aanvang of einde van die veertiendagentermijn is genoemd? Hoe strikt moet de rechter dit toetsen?
  4. Wat is het rechtsgevolg als in een veertiendagenbrief geen of onjuiste formulering van aanvang en/of einde van der veertiendagentermijn is vermeld? Maakt het in dat geval nog iets uit of de termijn een enkele dag te laat is en/of de schuldenaar heeft laten weten toch niet te kunnen betalen? Kan een onjuiste termijn gerepareerd worden geacht indien de schuldenaar (na enkele weken) nog een periode van tien dagen heeft gekregen en daarna (opnieuw enkele weken nadien) nog een laatste periode van zeven dagen heeft gekregen om de vordering te betalen, zonder dat incassokosten verschuldigd worden?
  5. Moet de schuldeiser stellen en bewijzen wanneer de termijn van veertien dagen is aangevangen en geëindigd, of moet de schuldenaar stellen en bewijzen dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de veertiendagenbrief heeft betaald?
  6. Maakt het voor de beantwoording van deze vragen verschil of het een verstekzaak of een zaak op tegenspraak betreft? Maakt het bij een zaak op tegenspraak nog uit of er wel of geen verweer is gevoerd ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten?

Vervolg

Alvorens voornoemde vragen aan de Hoge Raad worden voorgelegd, krijgen de partijen in kwestie eerst de gelegenheid zich uit te laten over deze prejudiciële vragen.

 

1 antwoord

Reacties zijn gesloten.