verhaalsrechten

Verhaalsrechten ontstaan wanneer een schuldenaar niet nakomt. De schuldeiser heeft dan een verhaalsrecht op al de goederen van de schuldenaar.[1] Er kunnen echter veel meer schuldeisers zijn bij dezelfde schuldenaar. Als dit zo is, volgt vaak faillissement. Dan kunnen de schuldeisers zich gezamenlijk verhalen op de goederen van de schuldenaar. Wanneer er inderdaad meer schuldeisers zijn is de vraag: wie komt eerst? De schuldenaar bezit normaliter namelijk niet genoeg vermogen om al zijn schulden te betalen.

Hoofdregel

Als hoofdregel geldt: schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om naar evenredigheid van ieders vordering te worden voldaan. Dit gaat op na voldoening van de kosten van executie.[2] De kosten van de curator is een voorbeeld van executiekosten. Schuldeisers die een gelijk verhaalsrecht hebben ten opzichte van alle goederen van de schuldeiser en geen voorrang of voorrecht hebben worden concurrente schuldeisers genoemd. Op dit uitgangspunt en deze groep schuldeisers zijn echter heel wat uitzonderingen. Die zullen hieronder worden besproken.

verhaalsrechten

Fiscus

Een bijzondere schuldeiser is de fiscus. De fiscus, ook wel de belastingdienst, heeft een voorrecht op alle goederen van een belastingschuldige.[3] Dit is een algemeen voorrecht die in rangorde boven de concurrente vorderingen zal komen. Ook heeft de fiscus het zogenaamde fiscaal bodemvoorrecht dat vóór alle andere schuldeisers gaat. In dat geval gaat het om goederen die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, meestal een schuldenaar die loon- of omzetbelasting verzuimd heeft te betalen en het gaat om een bodemzaak.[4] Gezien deze strenge voorwaarden is niet vaak sprake van een fiscaal bodemvoorrecht en moet dit echt gezien worden als een grove uitzondering op de hoofdregel.

Voorrechten

Voorrechten hebben ook voorrang op de concurrente crediteuren.[5] Hier dient een onderscheid gemaakt te worden tussen bijzondere en algemene voorrechten. Bij bijzondere voorrechten gaat het om een voorrecht op een bepaald goed van de schuldenaar, waar het bij algemene voorrechten gaat om alle goederen van de schuldenaar. Bijzondere voorrechten zijn bijvoorbeeld kosten tot behoud van een goed of een vordering wegens aanneming van werk.[6] Voorbeelden van algemene voorrechten zijn de kosten van een aanvraag van faillietverklaring of vorderingen van een werknemer ten opzichte van zijn werkgever.[7] Tussen voorrechten onderling bestaat ook een verschil in rangorde. Volgens de wet gaan bijzondere voorrechten in beginsel namelijk boven algemene voorrechten.[8]

Pand en hypotheek

Pand- en hypotheekrecht gaan op hun beurt weer boven voorrecht.[9] Hypotheekrecht wordt gevestigd op registergoederen, waar pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen.[10] Een registergoed is bijvoorbeeld een huis en een niet-registergoed is bijvoorbeeld een schilderij of een bank maar ook de voorraad van een onderneming. Als het gaat om de executie van onroerende zaken zal het dus vaak gaan om een huis met hypotheekrecht. De hypotheekhouder heeft dan voorrang op alle andere schuldeisers. Een pandhouder kan bijvoorbeeld een pandrecht hebben op de voorraad van een onderneming en zijn verhaalsrecht gaat dan boven die van de andere schuldeisers.

Conclusie

Al met al zijn er dus veel uitzonderingen op de hoofdregel. Het is dan ook niet altijd makkelijk om te bepalen welke schuldeiser als eerst zijn verhaalsrecht kan uitoefenen. De volgorde van deze verhaalsrechten is van groot belang omdat de schuldenaar vaak in grote betalingsproblemen verkeert en daardoor niet genoeg vermogen heeft om al zijn schulden te voldoen. Daardoor ontstaan veel situaties waarbij alleen de eerste schuldeiser iets van zijn vordering betaald krijgt. In dat geval hebben de andere schuldeisers gewoon pech en zullen zij in principe niets van hun vordering terugzien.

Onderstaand een basis-rangorde van verhaalsrechten:

  1. Executiekosten
  2. De fiscus indien een fiscaal bodemvoorrecht bestaat
  3. Pand en hypotheek
  4. Bijzondere voorrechten
  5. Algemene voorrechten
  6. Concurrente vorderingen

https://www.linkedin.com/

Auteur: Max van der Veer

[1] Art. 3:276 Burgerlijk Wetboek (BW).

[2] Art. 3:277 lid 1 BW.

[3] Art. 21 lid 1 Invorderingswet 1990 (Invw).

[4] Art. 21 lid 2 en 22 lid 3 Invw.

[5] Art. 3:278 lid 1 BW.

[6] Art. 3:284 lid 1 en 3:285 lid 1 BW.

[7] Art. 3:288 sub a en 3:288 sub c-e BW.

[8] Art. 3:280 BW.

[9] Art. 3:279 BW.

[10] Art. 3:227 lid 1 BW.